URLs for Books

Your last ebook:

You dont read ebooks at this site.

Total ebooks on site: about 25000

You can read and download its for free!

Ebooks by authors: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z 
Gunter, Archibald Clavering / Een strijd om de schatten van Alva of De watergeuzen in 1572
/









EEN STRIJD OM DE SCHATTEN VAN ALVA

OF

DE WATERGEUZEN IN 1572



NAAR HET ENGELSCH

DOOR

H. BERTRAND

Gellustreerd door C. KOPPENOL


AMSTERDAM

H. J. W. BECHT





SNELPERSDRUK VAN H. C. A. THIEME TE NIJMEGEN.






INHOUD


I. DE STORM OP DE SCHELDE
II. DE INHOUD VAN DE BARGE
III. DE ZES DRINKEBROERS VAN BRUSSEL
IV. DE BEROEMDSTE NEDERLANDSCHE SCHILDER VAN ZIJN TIJD
V. HET GEVAAR WORDT DREIGEND
VI. IN HET GESCHILDERDE HUIS
VII. ALVA'S DOCHTER
VIII. "ONBEREIKBAAR!"
IX. "GEEN PROVIAND, GEEN WATER, MAAR OVERVLOED VAN KRUIT!"
X. HET GEHEIM VAN HET STANDBEELD
XI. MAJOOR GUIDO AMATI HEEFT EEN STUK IN DEN KRAAG
XII. "BRENG UW DOCHTER BUITEN ANTWERPEN."
XIII. "GOEDE HEMEL! WAT EEN AANBEVELING!"
XIV. GODS VOORZIENIGHEID
XV. HET GEVECHT OP SCHAATSEN
XVI. DE BERSERKER EED
XVII. GEMANCIPEERDE VROUWEN IN 1573
XVIII. "IS HET EEN DROOM?"
XIX. DE BRUIDSCHAT VAN DE DOCHTER
XX. "PAPA KOMT! NU--ZAL IK HET DOEN!"
XXI. "DE HERTOG VAN ALVA!"
XXII. "OHO! DE VOS IS EINDELIJK GEVANGEN!"
XXIII. "HET IS EEN STAATSZAAK!"







HOOFDSTUK I.

DE STORM OP DE SCHELDE.


"Eerste officier, waar is de bootsman?"

"Vruit, commandant, om het plechtanker klaar te maken," antwoordt
Harry Dalton, de dienstdoende luitenant van de _Dover Lass_.

"Goed, roep den bootsman hier. Hij heeft den besten neus aan boord,"
schreeuwt Guy Stanhope Chester, de commandant.

"Tot uw orders, commandant!"

Hierna gaat de jonge zeeman, want hij is hoogstens vijf en twintig
jaar, terwijl hij het schuim en het water van zijn oliejas schudt,
al tastend naar het kompashuis, waarvan de lantaarn bedekt is,
voornamelijk om haar voor den wind te beschermen, maar ook om te
voorkomen, dat het schip in de duisternis zal verraden, waar het
zich bevindt.

Terwijl hij den koers van het schip opneemt, kijkt hij naar de twee
mannen, die vastgebonden zijn aan het stuurtoestel, om niet door de
golven te worden meegesleept, die over het schip hebben gespoeld,
sedert zij de krijtrotsen aan Engelands kust verlieten, en roept hun
toe: "Maakt je maar los, jongens, wij zijn nu in stiller water. Een
gedeelte van Vlaanderen is tusschen ons en den storm."

Een oogenblik later verschijnt de bootsman, een geharde oude Engelsche
pikbroek, een van de nieuwe soort van zeelieden van de groote vaart,
uit de school van Drake en Frobisher. Hij is voor geen kleintje
vervaard en zou geheel en al zeerob zijn, indien hij niet een
borstkuras van geslagen ijzer droeg. Hij salueert zijn commandant,
die vraagt:

"Hoelang is het geleden, sinds wij Vlissingen passeerden, Martin
Corker?"

"Ongeveer vier glazen, mijnheer."

"Twee uur! Dat dacht ik al. Kon je de plaats met het bloote oog
onderscheiden, bootsman?" vraagt Guy, het bezaanswant grijpend van
het schip, dat geweldig slingert door den noordwester storm en het
wassend tij.

"Het was te donker, kapitein; maar ik peilde met mijn lood, zag het
land met mijn oogen en rook de slachterijen op de kust met mijn neus."

"Zoo ging het mij ook," lachte de commandant. "Jij en ik, Martin,
zijn dikwijls genoeg op de Schelde geweest, om het kanaal te kunnen
ruiken in zoo'n donkeren nacht, ofschoon die vervloekte Spanjaarden
iedere boei op de rivier hebben vernield."

Daarna neemt de jonge commandant den eersten officier terzijde en
vervolgt ernstig, met saamgetrokken wenkbrauwen: "Er is geen kans op,
dat wij Alva's galjoenen op deze onstuimige zee in zulk een nacht
zullen ontmoeten."

"Neen," bromt Dalton, "die Spaansche lummels zijn alleen op zee te
vinden bij mooi weer."

"En buitendien," voegt de commandant er aan toe, "zou de _Dover Lass_
het flinkste en grootste Spaansche galjoen, dat ooit de zee bevoer,
bij zulk een storm ook te schande maken," en hij kijkt met den trots
en de liefde van een zeeman naar het nette kleine schip, op welks
halfdek hij staat, terwijl het danst op de golven van den Scheldemond,
het water, dat zijn boeg schoonveegt, vlug door zijn spuigaten werpend,
met Zuid-Beveland te lij en Vlaanderen te loever.

Maar de nacht is zoo donker en het schuim zoo verblindend, dat
Guy Chester's scherpe oogen slechts de helft van zijn schip kunnen
onderscheiden, dat niet meer dan honderd vijf en dertig voet lengte
en tweehonderd vijftig tonnen inhoud heeft, opgetuigd op een wijze,
zooals in de tijden van koningin Elizabeth van Engeland in zwang was,
met drie masten, de groote- en de fokkemast vierkant getuigd, en de
bezaansmast met een langen zeilboom, waaraan een brikzeil zou kunnen
gespannen worden, als het schip niet wegens den storm gereefd had.

Onder dit tuig bevinden zich op het dek van de _Dover Lass_ zulk een
menigte grimmige verdedigingsmiddelen als ooit op een schip van die
grootte, dat koers zette naar Engeland, bijeen werden gevonden;--zes
lange halve achttienponders voor negenponds kogels aan iedere zijde;
vier draaibassen op het halfdek, drie kleine kanonnen, moorddadige
stukken, op den bak, en een half dozijn serpentines, gemonteerd als
draaibassen, op de verschansingen, die voor een schip uit die dagen
ongewoon laag zijn.

Een eigenaardigheid van de _Dover Lass_, met betrekking tot haar
hutten en verschansingen, is, dat zij geen hoogen achtersteven en
hooge voorplecht heeft en dientengevolge in staat is, met grooter gemak
tegen den wind op te zeilen, dan de gewone zestiende-eeuwsche schepen.

Rondom het dikste gedeelte van haar masten bevinden zich wapenrekken
met een menigte hartsvangers, enterhaken en strijdbijlen, terwijl de
haakbussen en pistolen te vinden zijn bij den wapenmeester onder den
bak of in de hut van den bevelhebber.

Haar bemanning, ongeveer honderd vijf en twintig van de luchthartigste
zeerobben, die ooit iemand den hals afsneden of een schip in den
grond boorden, liggen dezen avond, allen zonder uitzondering, niet in
hun kooi, maar op de gemakkelijkste plaatsen, die zij kunnen vinden
tusschen het geschut aan de loefzijde van het dek, en halen grappen
uit, die hun op een gouvernementskruiser niet zouden veroorloofd
worden.

Toch heeft de _Dover Lass_ het uiterlijk van een oorlogsschip, al is de
discipline er niet zoo streng; het is klaarblijkelijk een dier schepen,
door een particulier persoon uitgerust, om te handelen, als er wat te
handelen valt, te vechten, als zij er toe genoodzaakt worden, en de
"Dons" te plunderen, overal en te allen tijde, zooveel ze kunnen;
zooals de schepen, die onder Drake en Frobisher en den ouden John
Hawkins de schrik van de Spanjaarden waren, nog meer dan de schepen
van de Koningin.

"Wel een verschil met verleden week," bromt de eerste officier,
"toen gij, kapitein Chester, bezig waart het hof te maken aan de
schoone dames van Shene en Windsor."

"En gij aan ieder mooi meisje in Harwich," lacht de aangesprokene.

Deze opmerkingen, die schenen gefluisterd te worden, werden in
werkelijkheid uitgeschreeuwd, de een met den mond aan het oor van den
ander, want het gehuil van den wind door het want en het geklots van de
aanrollende golven, als zij het schip zweepten, waren bijna in staat,
zelfs de stem van den ouden Stentor te smoren.

Een oogenblik later staat de bootsman voor den gezagvoerder, salueert
en schreeuwt: "Zou het niet beter zijn, dat ik het andere anker ook
gereed hield?"

"Ja, wij zouden het bij deze zee kunnen noodig hebben," antwoordt
de commandant, terwijl de eerste officier uitroept: "Bij den ouden
Boreas Bill, wat een hondenweer!"

"Ja, maar nog slimmer aan land dan op zee," antwoordt Guy, met de eene
hand zijn oliejas dichter om zich heen trekkend en met de andere zijn
zuidwester vasthoudende, waar, ondanks al de moeite, die hij zich
geeft, om hem vast op zijn hoofd te drukken, toch nog eenige blonde
lokken onder uitwaaien. Het drietal houdt niet op, al dien tijd met
de voeten te stampen, onophoudelijk het water af te schudden, en zijn
best te doen, om warm te blijven bij dien snijdenden noordenwind.

En het is een verschrikkelijke nacht; een van die nachten, die het
menschdom voorgoed in het geheugen blijven door de weduwen, die zij
maken en de weezen, die zij achterlaten; een nacht, waarin de zee het
land verzwelgt; een nacht, waarin de dijken voor het gebeuk van den
oceaan bezwijken, en het water stroomt over de onbeschermde weiden
en bloeiende boomgaarden, die veranderen in een bed van voortjagende
stroomen en diepe zoutzeen, die de vluchtende boeren met hun vrouwen
en kinderen doet omkomen in Vlaanderen, Brabant, Zeeland, Friesland en
op de eilanden en in de polders van Zuid- en Noord-Holland; een nacht,
die de Nederlanders opnieuw in ellende dompelde, de rijken zoowel als
de armen, edellieden zoowel als burgers, die buitendien reeds vijf
jaar lang het slachtoffer waren van de martelingen, verbrandingen en
geeselingen van Philips II en Alva, zijn onderkoning; een nacht, waarin
de lang aanhoudende noordwesterstorm blaast tegen de onbeschermde
dijken van Holland, gesteund door een springvloed van ongemeene
kracht, en de weerlooze Nederlanden teistert, om ze te herinneren
aan den grooten vloed, waarvan men nog eeuwen zal gewagen--dien van
Allerheiligen 1570.--Het is nu bijna twee jaar later, in de lente van
1572. Teekenen van de ellende, welke op het land wordt aangericht,
vertoonen zich weldra in de duisternis van den nacht. Op het strand
van Zuid-Beveland ziet men lichten heen en weer zweven, en de kreten
van tal van verdrinkende boeren worden meegevoerd door het gehuil
van den wind.

"Bij Sint George, er is een dijk doorgebroken!" schreeuwt Chester
zijn luitenant toe; dan zegt hij iets zachter: "God sta de arme
drommels bij, wij kunnen het niet!" als het schip naderbij stevent,
met den storm nu meer aan stuurboord.

Een minuut later commandeert hij haastig: "Roep de twee
kwartiermeesters en laat loggen."

Als dit gedaan is, mompelt hij plotseling: "Tien knoopen--in den vloed
vier meer! Twee uren! Wij moeten het Kromvliet te loever hebben,
de overstroomde landen liggen aan lij." Daarna roept hij haastig
tot zijn luitenant: "Ga vruit en zie, of de beide ankers gereed
zijn. Wij moeten trachten te komen onder de lij van Zuid-Beveland in
het slecht water, waar de vloed, van de Oosterschelde komende, den
stroom van de Westerschelde ontmoet. Als wij verder op geraken met
dezen wind en vloed, zullen onze ankers ons niet meer kunnen houden
aan deze zijde van Fort Lillo, en dat beteekent gevangenschap en dood
voor iedereen, _Alva's dood_--gij weet, wat dat is!"

Hierop mompelt de luitenant niet anders dan: "Ja, dat weet ik!" en
begeeft zich haastig naar vruit, waar men hem de matrozen kan
zien commandeeren, die geroepen zijn door den bootsman. Chester,
die bij het roer staat, geeft zelf de richting van het schip aan,
en commandeert de beide stuurlieden.

Een oogenblik later waggelt Martin Corker, de bootsman, over het
glibberige dek naar den commandant toe en fluistert schor: "Schip
vooruit!"

"Hoe weet ge dat? dat zoudt ge immers onmogelijk vannacht kunnen zien."

"Lichten!"

"O, de lichten van Sandvliet."

"Neen, schepen! pistolen--haakbussen. Ik zag hun geweren flikkeren,
drie streken aan lij in het slecht water onder de kust van Beveland!"

"Dan kan ik deze schepen nemen," fluistert de commandant.

Hierbij komt de natuur van dezen man plotseling duidelijk aan het
licht, zijn verwonderlijke vlugheid van denken en doen. Hij beveelt:
"Alle hens aan dek, klaar om te wenden. Zend twintig man naar het
achterdek, om de bezaan te gein! Laat de twee ankers stoppen tot
op twintig vam! Gelast het stuurboordskwartier zich te wapenen met
pieken, haakbussen en bijlen--enkel staal. Er moet bij deze affaire
geen rumoer worden gemaakt! Commandeer drie mannen te loever met
enterhaken!"

Een minuut later ziet hij vuurwapenen schitteren op een kabelslengte
aan bakboord.

"Stuurboord je roer!" schreeuwt hij tot den man aan het
stuurrad. "Genoeg, stuur voorzichtig, zeg ik je. Bezaan uit!"

Een oogenblik later passeeren zij rakelings de schepen en nauwkeurig
de kracht van de strooming berekenend, die geweldig is, wendt hij
plotseling zijn schip en geeft zijn bevelen door de spreektrompet:
"Stuurboord je roer! Lijbrassen los! Haal door de loefbrassen!"

En aanstonds wendt het schip met scherp gebrast vrtuig en staanden
kluiver, die, hoewel bijna uit de lijken gewaaid, het schip spoedig in
het slecht water drijft, gevormd door den stroom van de Oosterschelde,
die hier het water van den hoofdmond ontmoet.

Het volgend oogenblik heeft hij twee schepen langszij en zijn de
manschappen van stuurboordskwartier, door zich aan touwen af te laten,
in de schepen gesprongen, die ze enteren en nemen. Deze dobberen weldra
naast hem aan lij, beschermd voor de zee en den wind, terwijl hij het
anker laat vallen in het slecht water, gevormd door de ondiepten en
moerassen van Zuid-Beveland.

Er is blijkbaar nagenoeg niet gevochten in de boot, daar zijn
manschappen haar bij verrassing genomen hebben.

Een oogenblik later klimt de bootsman weer aan boord van de _Dover
Lass_ en bericht: "Wij hebben ze beide!"

"Wat zijn het?"

"De een is een vriend en de ander een vijand."

"Wie is de vriend?"

"Dirk Duyvel en zijn Watergeuzen; en Dirk gaat te keer als een bezetene
en vloekt en zweert bij hoog en laag, dat hij gemeen behandeld is."

"Wie is de vijand?"

"Een Spaansch plezier-galjoen of staatsbarge, te oordeelen naar de
uitrusting en de tenten."

"Wie zijn er aan boord?"

"Roeiers, die om hun leven smeeken, en twee of drie vrouwen, op
n na allen flauw gevallen. Er was ook een Italiaan aan boord of
een Spanjaard, tenminste zoo iets, maar Duyvel en zijn troep hebben,
toen zij hem gevangen hadden genomen, een touw om zijn lijf gebonden,
hem overboord geworpen en hem zoo meegesleept; ik denk, dat hij nu
wel verdronken zal zijn."

"Goed, trek den Italiaan op en breng hem aan boord. Zend Dirk ook
hier."

Een oogenblik later komt een breedgebouwde Hollandsche zeerob aan
boord, stampt hard met zijn zware laarzen en vloekt bij iederen stap,
dien hij doet.

"Kom hier, Dirk, wat hebt gij te vloeken?" lacht de jonge commandant.

"Waarom ik vloek? Ik vloek op u! Wie geeft u het recht, mij mijn buit
af te nemen? Wie zijt gij, zeg?"

"Kent ge me niet meer, Dirk? Kom eens hier."

De commandant werpt de deur van zijn hut open en wenkt den Hollandschen
zeeman, dat hij hem naar binnen zal volgen. Er hangt een schommelende
lamp aan een dwarsbalk van den koekoek, die een schemerachtig
licht verspreidt, maar de duisternis is z ondoordringbaar, dat
de Hollander en de Engelschman toch beiden met hun oogen knippen,
als zij binnenkomen.

Een oogenblik later roept Dirk uit:

"Genadige hemel! Ik herkende de stem niet. Het is kapitein Chester. De
'Eerste der Engelschen'!"

Deze bijnaam, waarmee hij Guy betitelt, is hem door de Hollanders
gegeven, toen hij voor het eerst in hun land verscheen als spion,
gezant en agent van koningin Elizabeth; daar Engeland op voet van
vrede met Spanje verkeert, heeft zijn souverein openlijk de daden
van den man afgekeurd, die zijn leven dag aan dag in de waagschaal
stelde voor hare belangen op de kusten van Holland, belangstellend
den ongelijken strijd gadeslaande, dien de Nederlanders voeren tegen
de macht van Philips II van Spanje en de wreedheden--het verwoesten,
verbranden, geeselen en martelen--van Alva, zijn onderkoning. Deze
bijnaam, de "Eerste der Engelschen", is hem waarschijnlijk gegeven in
de hoop--hoe flauw die ook was--dat hij niet de _laatste_ Engelschman
zou zijn; dat anderen na hem zouden komen, om hen te helpen strijden
voor vrijheid van denken en dat zij, zoo zij al niet openlijk worden
bijgestaan, althans in het geheim ondersteund zullen worden door de
macht der dochter van Hendrik VIII;--heeft toch Philips niet gezworen,
de kettersche Engelschen evengoed als de Hollanders te zullen verdelgen
in het belang van den godsdienst? Want totaal verslagen te Jemmingen
en verdreven uit Friesland, hun stadhouder en prins een balling in
Duitschland, bestaat er voor de aanhangers van Willem den Zwijger
geen hoop op redding meer, tenzij door de krachtdadige tusschenkomst,
of zoo hem deze niet mocht worden verleend, door den heimelijken
bijstand van Engeland.

Als hij den Engelschman herkent, komt er een droomerige uitdrukking
op het gelaat van Dirk Duyvel, ofschoon hij grimmig mompelt: "Kapitein
Chester, uw daad is niet de daad van een Watergeus."

"Wel verdraaid! Gij weet best, dat ik een van de uwen ben," lacht
de jonge man, een penning toonend, dien hij om den hals draagt en
waaraan twee of drie geuzennapjes hangen met deze woorden er op: "_En
tout fidelles au Roy!_" en een borstbeeld van Philips II van Spanje.

"Een wonderlijke zinspreuk voor een Engelsch onderdaan," vervolgt Guy,
"doch sinds ik een der uwen werd, ter wille van haar, die mij herwaarts
zond," hij aarzelt een weinig, eer hij de woorden uitspreekt, "heb
ik tegenover u gehandeld als een broeder Gueux, en trouw gezworen
aan de grondbeginselen van de Bedelaars van de Zee--als zij er die
ten minste op na houden. Houden zij er die op na, Dirk?" spotte
hij. "Antwoord mij, gij zeeschuimer. Hebt gij niet het schip van uw
eigen broer gekaapt, verleden jaar?"

"Nu, die geschiedenis is voor tweerlei uitlegging vatbaar, kapitein,"
bromt de Hollander. Daarna vervolgt hij angstig: "Maar gij zijt toch
niet van plan, mijn buit te rooven?"

"Neen, ik wil u alleen maar helpen, hem in veiligheid te brengen. En
gij hebt mijn hulp vannacht wel noodig, want gij zoudt het met dezen
wind zonder mij nooit klaarspelen en uw schepen weer bereiken. Waar
zijn zij?"

"Ongeveer vier mijlen de Oosterschelde af."

"Dan zou uw boot ze nooit bereiken. Gij zoudt in het Sandvliet gedreven
worden of voorbij de forten, in Alva's klauwen, tenzij gij op een dijk
werdt geworpen, waar gij gevaar liept, door zijn Spaansche huurlingen
overhoop te worden geschoten. Gij zoudt uw ankers hier niet kunnen
uitwerpen, uw booten zouden zinken; zonder de hulp van mijn schip
zoudt gij binnen tien minuten in de armen van de zeenimfen liggen of
binnen twee uren in Alva's handen zijn. Wat zou het ergste wezen?"

"Ik denk, dat in Alva's handen te vallen, het ergste zou zijn, zoowel
voor mij als voor u! Hij haat den 'Eerste der Engelschen' haast nog
meer dan ons, oproerlingen," grijnst de Hollander. Hij huivert toch
bij het uitspreken van dien naam, gevreesd door iederen Nederlander
en meer nog door al die bannelingen, welke zich tot lijfsbehoud
gedwongen hebben gezien, om, onder den naam van Geuzen, piraten en
zeeroovers te worden, ofschoon zij de vrijheidsapostelen zijn onder
Willem van Oranje.

"Nu, en wat hebt gij gevangen? Vertel mij eens alles," zoo laat de
Engelschman zich weer hooren. Deze heeft schitterende, donkerblauwe
oogen en lang, krullend, kastanjebruin haar, en zijn geheele persoon
vormt een scherpe tegenstelling met den Hollander, die er flegmatiek
en droomerig uitziet en wiens goedaardig gelaat prijkt met een
onveranderlijken grijnslach--die hem, Dirk Duyvel, nooit verlaat,
hetzij hij zijn gebeden opzegt, een schip plundert of een Spanjaard
naar de andere wereld zendt.

"Wel, wij zetten hierheen koers," antwoordde hij. "De storm was toen
nog niet zoo hevig, anders hadden wij het zeker niet gedaan. Wij
zagen een dijk doorbreken aan deze zijde van het Sandvliet, en wij
wilden de bezittingen van de boeren in bewaring nemen, om ze hun
terug te geven, als zij in het leven mochten terugkeeren. Terwijl wij
daarmee bezig waren, zagen wij, dat er aan een landhuis een vaartuig
werd uitgezet; wij begrepen, dat daarop wat zou te halen zijn. Nu,
en toen volgden wij dat vaartuig. Het trachtte de rivier op te komen
in de richting van Antwerpen, maar wij schoten de matrozen dood, en
hadden het juist vermeesterd en een Italiaan overboord geworpen, en
waren bezig te onderzoeken of er ook iets viel buit te maken, behalve
de vrouwen, waarvan er drie in zwijm vielen, toen ik haar aansprak
en haar vertelde, wat wij van plan waren met haar te doen,--toen gij
langszij kwaamt; eer ik wist wat er gebeurde, lag ik op den grond,
met twee van de uwen over mij heen, die hun dolken tegen mijn hals
hielden, terwijl zij aardigheden verkochten over den waarschijnlijken
duur van mijn leven."

Dit verslag wordt afgebroken door de komst van den bootsman, die
salueert en een levenlooze, druipende massa op de bank in de kajuit
neerlegt, terwijl hij plichtmatig bericht: "De Italiaan is aan boord,
commandant."

"Laat eens zien, of er nog leven in zit."

Doch na een kort onderzoek maakt Chester het teeken des kruises en
fluistert: "Hij is buiten het bereik der levenden. Alle barbiers,
medicijnmeesters en chirurgijns ter wereld zouden zijn hart niet weer
aan het kloppen kunnen brengen," en hij legt zijn hand op het hart
van den doode.

Op hetzelfde oogenblik schrikt hij en roept uit: "Er zit iets in zijn
jas, er schijnt iets ingenaaid te zijn."

"Alle duivels! Geld? Heeft hij geld in zijn jas?" schreeuwt de
Hollandsche vrijbuiter op spijtigen toon. "Zouden wij zoo dom zijn
geweest, het niet te vinden, toen wij zijn zakken doorzochten, eer
wij hem overboord gooiden? Is het geld? Dan is het van mij!"

"Het is geen geld, het zijn papieren," merkt Chester op, het wambuis
van den Italiaan opensnijdend en er een pakje uithalend, dat zorgvuldig
in geoliede zijde gewikkeld is.

"Als het enkel papieren zijn, kunt gij ze houden," zegt de
Nederlandsche Watergeus edelmoedig.

De Engelschman onderzoekt de documenten, die hij in de hand houdt;
eensklaps maakt hij een gebaar van verrassing, hij schijnt te
ontroeren en mompelt in zichzelven: "Zou het mogelijk zijn!--ik kan
dat vervloekte Spaansche cijferschrift niet lezen."

Weer onderzoekt hij alles nauwkeurig en na verloop van een paar
minuten beginnen zijn oogen te schitteren.

Hij wendt zich tot Dirk Duyvel en zeg kortaf: "Hoeveel verlangt
gij voor uw buit? Voor alles! Gij hebt mij de papieren gegeven--wat
verlangt gij nu voor de boot?"

"Het is een mooie boot!"

"Maar _gij_ hebt er toch niets aan!"

"En dan de drie vrouwen. Ik zou een losgeld voor haar kunnen krijgen."

"Van wien?"

"Van haar vaders of moeders of beminden; zij zouden het niet heel
aangenaam vinden, als zij wisten, dat die vrouwen ontvoerd waren door
de Watergeuzen, de kampvechters voor de vrijheid," zegt Duyvel met
een leelijke grijns, "en n is er bij, die heel mooi is."

"Hm! hoe hebt gij dat kunnen onderscheiden in deze duisternis?"

"Dat kon ik niet zien, maar ik hoorde het. Haar stem is zoo zoet
als het zachtste register van het groote orgel in Amsterdam, dat,
hetwelk men de 'engelenstem' noemt."

"Hoeveel verlangt gij voor alles?" vraagt de Engelschman,
onverschilligheid veinzend, op den toon van een man, die met een
kramer marchandeert.

"Duizend kronen."

"Driehonderd," antwoordt Chester kortaf.

"Vijfhonderd in elk geval."

"Driehonderd in zilver," en de jonge commandant opent een kastje
in zijn hut en haalt er een zak met Carolus-guldens uit. "Het is
beter, dit zekere in handen te hebben," zegt hij, "dan te moeten
marchandeeren aan den wal, met de kans, om gevangen genomen en gehangen
te worden. Driehonderd voor alles, vrouwen, boot, alles!"

"Wat wilt gij er mee doen?"

"Dat is mijn zaak," zegt de Engelschman, opnieuw in de papieren
kijkend, die hij den doode,--naar zijn kleeding en voorkomen te
oordeelen, een Spanjaard of Italiaan,--heeft afgenomen.

"En ik zal u zeggen, wat ik wil doen," vervolgt Guy; "wanneer deze zaak
zoo voordeelig blijkt als zij schijnt, geef ik er nog tweehonderd bij,
als ik weer uit Engeland hier kom."

"Welnu, de buit is de uwe, geef mij nu maar spoedig het geld."

Dit is spoedig gedaan. Chester schrijft een bewijs van ontvangst,
dat de Hollander onderteekent. Een oogenblik later zegt kapitein
Guy losweg: "Duyvel, ik zou u raden met uw boot naast ons te blijven
liggen tot morgen vroeg, gij redt het nooit in dien storm," gaat naar
het dek, en zijn eersten officier ter zijde nemend, zegt hij kortaf:
"Gij moet het commando van de _Dover Lass_ overnemen, luitenant Dalton,
tot ik terugkom."

"Wilt gij het schip dan vannacht nog verlaten?"

"Ja; een bericht, dat ik daar pas heb gekregen, maakt het noodig,
dat ik vannacht nog naar Antwerpen ga."

"Naar Antwerpen! _In Alva's klauwen_, regelrecht in het verderf?"

"Ja."

"Hoe?"

"In die Spaansche barge, die naast ons ligt."

"Gij neemt toch eenigen van uw manschappen mee?"

"Neen."

"Dan is uw leven geen duit waard."

"Dat zal wel losloopen. Die laffe roeiers van de barge zullen mij geen
kwaad doen. Gij weet, dat ik op Hispaniola Spaansch heb geleerd en
het zoo goed spreek, dat ik er mij zelf haast om veracht. Ik ben van
plan te gaan als een Spaansch officier, onder den naam, waarvan ik
mij bij mijn vorige bezoeken aan Antwerpen reeds bediende: kapitein
Guido Amati. Ik zal mij uitgeven voor den redder van de dame in
de boot,--namelijk als alles naar wensch gaat. Zorg dat de sloep
morgenmiddag op mij wacht bij den dijk, die het dichtst bij fort
Lillo is."

"Gij speelt met uw leven. Ja, gij gaat zelfs nog verder, gij werpt
het weg," waagt de eerste officier nog angstig op te merken.

"Ik doe beide voor mijn goede Queen Bess [1], wier hand ik kuste,
eer ik Engeland verliet," fluistert de jonge man. "Nu wil ik mijn
gevangene gaan zien."

Een touw grijpende, springt hij over de lage verschansing en staat
in het volgende oogenblik tusschen zijn manschappen, die nog steeds
de wacht houden op het Spaansche pleiziervaartuig,--een seconde later
hoort Guy Chester de zoetste, lieflijkste, verleidelijkste stem, die
hij ooit heeft gehoord, sinds hij zijn ooren opende voor het geluid
van man--of vrouw.





HOOFDSTUK II.

DE INHOUD VAN DE BARGE.


Nooit te voren is Guy Chester zoo getroffen door den toon van een
menschelijke stem, ofschoon, in de bijna ondoordringbare duisternis,
haar bekoring niet wordt ondersteund door een bevallig figuurtje,
aanminnig gelaat of schitterende oogen. Het is enkel de stem, die
hem bekoort. Deze zegt: "Senor, zijt gij een officier? Hebt gij gezag
over deze woeste mannen?"

Zij, die spreekt, is opgestaan, toen Guy in de boot sprong. Misschien
heeft de dame, in weerwil van de duisternis, opgemerkt, dat zijn
manschappen hem salueeren. Zij spreekt Spaansch, zuiver, beschaafd
Spaansch; het welluidende der Castilianen.

"Dat heb ik, Senorita," antwoordt Guy, in dezelfde taal, ofschoon zijn
accent en uitspraak bijna barbaarsch klinken naast haar beschaafden
tongval. De klank van het Spaansch schijnt de dame gerust te stellen,
die te voorschijn komt van onder de tent, die den achtersteven van
de boot versiert en beschermt, vlak voor Chester gaat staan en op een
half verzoekenden, half bevelenden toon zegt: "Zeg mij, wie gij zijt!"

"Kapitein in Romero's regiment Sicilianen. Niet geboren in Spanje,
zooals mijn accent verraadt," antwoordt de jonge Engelschman, en hij
voegt er aan toe: "Mijn geboorteplaats was op Hispaniola."

"Ah! een Spaansch officier," roept de dame verheugd uit; "dus is uw
schip een Spaansch?"

"Zeker," antwoordt de Engelschman, die, nu hij zich eenmaal heeft
voorgenomen te bedriegen, ook niet op een leugen ziet.

"Dan," antwoordt de dame op een toon, die eensklaps vertrouwelijk en
toch bevelend wordt, "senor capitan, zijt gij wel zoo goed mij terstond
veilig naar Antwerpen te begeleiden." Een oogenblik later vervolgt zij:
"En ik hoop, dat gij die woeste Hollandsche rebellen, die onbeschaamde
Watergeuzen, zoo spoedig mogelijk zult straffen. Zij hebben den
kapitein en de soldaten van mijn barge vermoord, en den armen
secretaris van den markies de Cetona, Chiapin Vitelli, verdronken."

Bij den naam van Vitelli ontstelt Chester. "Zeker, senorita," antwoordt
hij snel. "Al die schurken zullen worden gehangen aan de ra, zoodra
uw jacht uit zicht is."

"Maar gij moet met mij meegaan, ik beveel het!"

"Uw woorden zijn voor mij een bevel," zegt Guy beleefd, een glimlach
onderdrukkende, als hij er aan denkt, dat zijn schoone gevangene
zich een vreemd gezag over hem aanmatigt. "De commandant van het
schip zal overgaan tot de bestraffing van de zeeschuimers, zoodra
wij vertrokken zijn."

"Gij zult zeker spoedig gereed zijn om mij te vergezellen?" De stem,
die in de duisternis tot hem komt, is die van iemand, welke gewoon
is te bevelen, ofschoon zij ongemeen lief en welluidend klinkt.

"Binnen vijftien minuten," antwoordt Guy met militaire promptheid;
daarna vervolgt hij, met iets galants in zijn stem: "Zal ik u niet
een weinig ververschingen zenden van het schip? De nacht is heel koud."

"Neen, ik ben goed ingestopt. Mijn kameniers kunnen mijn handen wrijven
en wij hebben uitstekenden Spaanschen wijn en andere ververschingen
in de kajuit. Maar haast u wat, of wij zullen niet voor morgenochtend
te Antwerpen zijn."

"Zoo spoedig mogelijk zal ik terug zijn." Met deze woorden springt
Guy vlug uit de barge en klautert over de verschansing van zijn
eigen schip.

Vervolgens trekt hij zijn eersten officier, die naar het gesprek heeft
staan luisteren, haastig ter zijde en zegt: "Het is alles naar wensch
gegaan. En ik ben nu ook nog iets meer te weten gekomen. Die doode
man in de hut (dien gij zoo spoedig mogelijk overboord moet werpen)
is de secretaris van dien verwenschten Chiapin Vitelli!"

"De schurk, die Alva helpt in zijn plannen tegen het leven van onze
vorstin?" roept Dalton uit.

"Ja. Dit maakt het dubbel noodzakelijk, dat ik naar Antwerpen ga. Het
zou kunnen zijn, dat ik daar eenige dagen moest blijven. Blijf met de
sloep dicht bij den dijk beneden fort Lillo, zooals ik u bevolen heb."

"Gij doet een dolzinnig waagstuk," mompelt zijn ondergeschikte,
nog een bedenking wagend.

"Maar ik moet het wel doen. Voor het geval, dat mij iets overkomt,
voor het geval, dat ik--niet terug mocht komen, zeg dan aan mijn
koningin, dat ik het om harentwil deed. Keer met het schip naar
Engeland terug, Dalton, en spreek tot onze vorstin deze woorden:
'Wees meer dan ooit op uw hoede voor Spaansch vergift of Spaansche
dolken. Het is de laatste waarschuwing van Uwer Majesteits getrouwen
vazal Guy Stanhope Chester.'"

Dit zeggende, stapt de jonge man in zijn hut en als hij na tien minuten
de deur weer opent, beschijnt het flauwe licht een geheel ander man.

Hij is niet langer de door weer en wind geteisterde zeeman in oliejas
en zuidwester, maar de zwierigste en wellevendste jonge edelman, die
ooit het hof maakte aan de dames van Hampton of met haar schertste
op de tennisvelden van Windsor of Westminster.

Een lichtblauwe fluweelen baret, versierd met twee lange witte veeren,
vastgehecht door een diamanten gesp, bedekt zijn jeugdig hoofd; om zijn
hals draagt hij een breeden Spaanschen kraag van Venetiaansche kant;
zijn fluweelen wambuis is gegarneerd met zilver en satijn; zijn broek
is van de fijnste Fransche zijde; zijn hooge Spaansche laarzen zijn
van het zachtste bronskleurig marokijnleder. In dit zwierig kostuum,
met zijn blauwe, overmoedig schitterende oogen, lachende lippen en
krullende haren, maakt Guy Stanhope Chester een even goed figuur als
de ridderlijke Dudley, graaf van Leicester, wanneer hij de koningin
van Engeland en haar hofdames wist te betooveren.

Misschien wint hij het zelfs nog van dezen, want zijn gelaat is open
en zijn glimlach oprecht, ofschoon er een vastberaden uitdrukking op
zijn gelaat ligt, als hij uit zijn hut stapt en naar het kruit in de
pan van de twee lange pistolen kijkt, die hij in zijn gordel heeft,
en zijn borst betast, om zeker te zijn, dat de lange scherpe ponjaard
op zijn plaats is, en vervolgens tegen het gevest van zijn zwaard
slaat, om er zich van te vergewissen, dat zijn trouw, welbeproefd
Toledaansch rapier aan zijn zijde hangt. Want bij het bezoek, dat hij
gaat brengen aan de groote stad der Nederlanden, die zich in Alva's
macht bevindt, is het voor hem niet alleen een quaestie van slagen
of mislukken, maar een quaestie van leven of dood. Guy is natuurlijk
zoo verstandig geweest, zich het aanzien te geven van een Katholiek
Spaansch officier; hij heeft den Geuzenpenning afgedaan en draagt in
plaats daarvan, zeer in het oog vallend, een rozenkrans van gouden
kralen en een rijk versierd kruis.

Terwijl hij deze verandering in zijn uiterlijk maakte, had hij
een miniatuur-portret, gevat in diamanten, van zijn borst genomen,
een portret van een meisje van zeldzame Castiliaansche schoonheid,
dat hij met smachtende blikken bezag onder het mompelen van deze
onverstaanbare woorden: "Mijn eenige prijs van al de schatten van Alva,
die ik buitmaakte voor mijn koningin--als ik het origineel kon winnen."

Intusschen veroorzaakt het zwierige kostuum van Guy Chester heel wat
opschudding op zijn halfdek, en trekt zelfs de aandacht van den anders
zoo onverstoorbaren vrijbuiter Dirk Duyvel, die juist buiten de hut
doodbedaard zijn driehonderd guldens zit te tellen. Deze roept:
"Drommels, daar moet een mooi meisje in 't spel zijn!" En zijn
eerste officier, ja, zelfs zijn tweede, veroorloven zich een paar
grappen over zijn voorkomen, terwijl Dalton nog opmerkt: "Bij de vier
Evangelisten! Die rooftocht beteekent _liefde_ zoowel als _bloed_!"

En de tweede stuurman, die nog weinig meer is dan een roodwangig
jongetje, schatert het uit en fluistert daarna in het oor van zijn
commandant: "Neem mij mede, kapitein Chester, voor een kruisvaart te
land. Er zijn nog andere dames in de barge, behalve degene, voor wie
gij u zoo hebt opgedirkt."

"Neen, mijn beste jongen, zulk een uitstapje aan wal zou je dood
zijn," merkt de commandant op, doch opeens keert hij terug in zijn hut
en mompelt: "Bij de zeven kampioenen van het Christendom, die stem
zou mij haast alle overleg doen verliezen. Daar zou ik nu waarlijk
zonder geld op weg zijn gegaan, een achteloosheid, die mij duur zou
te staan komen!"

Met deze woorden ledigt hij in zijn eenen zak den inhoud van een
kleinen buidel, gevuld met Spaansch goud, dien hij uit een der
kastjes in de hut heeft gekregen, en stopt in den anderen een
aantal Spaansche florijnen, Hollandsche kronen en Nederlandsche
stuivers. Zich omkeerende, ziet hij zijn eigen beeld weerkaatst
in een kleinen Venetiaanschen spiegel, die in de hut is bevestigd,
en roept plotseling verschrikt uit: "En ik zou mijn regenmantel ook
vergeten. Dat zou een koopje zijn geweest bij dezen storm!"

Dit zeggende, werpt hij over zijn zwierige kleedij een langen mantel
van een zachte Engelsche wollen stof en in het volgend oogenblik
is hij aan boord van het Spaansche vaartuig dat, na snel door zijn
manschappen te zijn ontruimd, nu van het schip wordt afgestooten.

Daarna begeeft hij zich naar den achtersteven, neemt de roerpen in
de hand en roept op bevelenden toon in het Spaansch: "Voorwaarts,
gij honden van roeiers! De man, die rechtop durft gaan zitten of geen
slag houdt bij het roeien, totdat wij in Antwerpen zijn, sterft door
mijn hand." Want hij vreest, dat de minste onachtzaamheid van den
kant der roeiers de boot dwars van den wind en van den stroom zal
brengen, wat noodlottige gevolgen kon hebben bij deze holle zee,
snellen vloed en hevigen wind.

"Gij schijnt zeeman zoowel als soldaat te zijn," merkt de jonge
Spaansche dame op, aan wier zijde hij nu gezeten is.

"Ja, ik ben een weinig vertrouwd met elke wijze van vechten, te land
en ter zee," antwoordt Guy, iets nader schuivende bij die welluidende
stem.

"Ik zal u," fluistert de jonge dame, "altijd als mijn redder
beschouwen."

Vervolgens brengt zij hem in de uiterste verbazing en doet hem haast
schrikken, door op beschermenden toon te zeggen:

"Gij hebt geluk gehad, senor capitan! _Want ik wil, dat gij voor
hetgeen gij aan mij hebt gedaan, tot kolonel bevorderd zult worden_!"

Deze verzekering wordt door de liefelijke stem naast hem gedaan
met evenveel vertrouwen, alsof zij kwam van de koningin van Spanje
zelve. Maar den Engelschman loopt, bij het hooren er van, een koude
rilling over den rug. "Wie voor den drommel kan zij zijn?" vraagt
hij zich verwonderd af. "Ik lever mij roekeloos over in Alva's macht,
door haar naar Antwerpen te begeleiden."

Maar terugkeeren is niet meer mogelijk. De boot is reeds in den
hoofdstroom; beide, wind en vloed, zweepen haar nu voort naar
Antwerpen, evenals de lijken van menschen en vee, die de stroom
meevoert, als getuigen van de verwoesting, welke de oceaan in de
Nederlanden aanricht.

"En wie heb ik te danken voor deze bevordering?" waagt Guy te vragen,
want hij brandt van nieuwsgierigheid om den naam te vernemen van de
dame, die naast hem zit.

"Gij kunt mij Dona Hermoine noemen," antwoordt de schoone op een
toon, die aanduidt, dat zij voldoende bekend is, om het geven van een
nadere aanduiding als overbodig te kunnen beschouwen. Een oogenblik
later zegt zij op kalmen toon tot een harer onderhoorigen, die naast
haar knielt, om haar handen te wrijven, daar de nacht zeer koud is:
"Zoo is het goed, Alida, tracht nu zelve ook warm te worden."

"Ja, Excellentissima," antwoordt het meisje.

De hoog klinkende titel prikkelt Chester's nieuwsgierigheid nog meer,
maar hij kan die thans niet verder bevredigen. Elke spier van zijn
gelaat is gespannen, hij heeft al zijn gedachten noodig om de boot
uit den wind en recht in den stroom te houden, terwijl zij de Schelde
opvliegt. En enkele verkeerde beweging van een der roeiers zou haar
uit den koers kunnen brengen, en dat zou in dezen stormachtigen nacht
gelijk staan met haar ondergang.

Hij kan nauwelijks tijd vinden om de vrouwelijke bedienden van de
jonge dame te gelasten, haar zooveel mogelijk met stukken zeildoek
te beschutten voor het schuim, dat hen volgt; al zijn opmerkzaamheid
wordt vereischt, om de zwakke boot veilig te houden in haar wedloop
met de wilde wateren rondom haar. Hij heeft geen moeite met de roeiers;
zij roeien, alsof zij weten, dat hun leven afhangt van hun inspanning.

Z snellen zij voort.

Een donkere, sombere massa aan zijn rechterhand duidt het grimmige
fort Lillo aan. Als zij dit voorbij zijn, weet Guy, dat hij onder het
bereik is van Alva's handen, binnen de Spaansche linie. Zij snellen
echter voort, langs schepen, die zijn losgeslagen van hun ankers en
nu wegdrijven met den vloed, langs andere, die een schuilplaats hebben
gevonden in de verschillende bochten en inhammen van de Schelde. Geen
enkel vaartuig--behalve het hunne--spoedt zich voort met een doel,
alle hebben ergens een schuilplaats gezocht. Geen Spaansche galeien
houden de wacht op de rivier, maar de lichten op de dijken duiden aan,
dat de oeverbewoners waken, om hun bezittingen en zichzelven te redden.

Een poosje later zegt de dame, die al dien tijd haar best heeft
gedaan om zich warm te houden, door met haar voetjes te stampen en
haar kleine handen te wrijven, waarin zij door haar vrouwen wordt
bijgestaan: "Zoudt gij niet een kleine hartversterking willen nemen,
senor capitan? Een glas wijn? Gij spaart zorg noch moeite voor mijn
veiligheid."

"Leid in Gods naam mijn aandacht niet af van de boot!" mompelt Guy
tusschen de tanden. "Wij zijn aanstonds in een bocht van de rivier. De
wind zal dwars overkomen. Ik worstel voor ons aller leven."

Dan zet hij zich opnieuw schrap voor den strijd, want de stroom en
de wind zijn niet meer in n richting en dat maakt zijn taak aan
het roer des te moeilijker.

Maar als zij deze bocht voorbij zijn, en nu de waterzijde van Antwerpen
naderen, wordt de wind, door het land gebroken, minder hevig, en het
wassend tij, dat bijna zijn hoogtepunt heeft bereikt, minder snel
en gevaarlijk.

"Goddank, wij hebben het ergste gehad," zegt Guy met een zucht van
verlichting. "Nu zal ik gaarne een glas wijn aannemen, schoone dame;
het is vinnig koud;" dit laatste zegt hij klappertandend.

"Oho!" lacht de schoone aan zijn zijde. "Zijde, satijn en fluweel zijn
ook niet zoo doelmatig, senor capitan, als uw oliejas en zuidwester,
toen gij het eerst aan boord van mijn jacht kwaamt. Wie mooi wil zijn,
moet zich daarvoor ook wat last getroosten. Uw zwierige kleedij werd
vermoedelijk gekozen ter wille van de een of andere schoone dame in
Antwerpen, capitan mio."

"Ja, voor een _zeer_ schoone," antwoordt Guy, wiens mantel van zijn
schouders is gegleden en wiens kanten opslagen den fijnen pols van
de jonge dame hebben aangeraakt, terwijl hij den zilveren beker aan
den mond brengt en den fijnsten ouden Spaanschen wijn, die ooit door
zijn keel is gegleden, in staat stelt zijn bloedsomloop te versnellen
en zijn verkleumd lichaam te verwarmen.

Het edele vocht schijnt zijn levensgeesten op te wekken en hij lacht.

"Nog een beker, als ik u mag verzoeken, om hem uit te drinken
op de gezondheid van de schoonste dame." En als hij dien heeft
gekregen, zegt Guy met zeemans-stoutmoedigheid en jeugdig vuur:
"Op u!" de schoone vr hem doordringend aankijkend in de hoop,
dat de gloed zijner oogen door de duisternis heen zal dringen.



Pages: | 1 | | 2 | | 3 | | 4 | | 5 | | 6 | | 7 | | 8 | | 9 | | 10 | | 11 | | 12 | | 13 | | 14 | | 15 | | Next |

Main -> Gunter, Archibald Clavering -> Een strijd om de schatten van Alva of De watergeuzen in 1572